Interventieprofielen bij ouderen: nieuw instrument voor gevorderden

Eenzaamheid aanpakken vraagt altijd maatwerk. Ook bij ouderen. Daarvoor is het belangrijk om een goede basishouding te hebben, contact te leggen, vertrouwen te winnen, goed te luisteren en op zoek gaan naar wensen en ideeën. Ook is het belangrijk om te weten wat het beste werkt voor welke eenzame ouderen. Daarvoor is nu een nieuw instrument beschikbaar: de publicatie “Interventieprofielen voor de aanpak van eenzaamheid en sociaal isolement bij ouderen”. Lees hier de essentie en ga snel aan de slag.

Coalitie Erbij Rotterdam heeft in februari 2020 de “Interventieprofielen voor de aanpak van eenzaamheid en sociaal isolement bij ouderen” gepubliceerd. Geschreven door Anja Machielse en Janneke Ariaans van de Universiteit voor Humanistiek, biedt het handvatten voor professionals bij het zoeken van passende interventies voor ouderen die eenzaam of sociaal geïsoleerd zijn. Het instrument is gebaseerd op een eerdere publicatie uit 2011 en maakt de kennis beter toegankelijk.

De vragen

Het instrument is gebaseerd op drie vragen die u zichzelf kunt stellen in uw contact met een oudere die eenzaam of sociaal geïsoleerd is:

  1. Is de problematiek situationeel of structureel?
  2. Heeft iemand behoefte om nieuwe sociale contacten op te bouwen?
  3. Is iemand in staat om daar actief aan (mee) te werken?

In andere (en eigen) woorden: is iemand tijdelijk of chronisch eenzaam, wil iemand iets aan de situatie doen en kan iemand dat? Op basis van die vragen zijn er acht soorten typen mensen, die telkens een andersoortige aanpak vragen.  Hierna volgen alle types (met door mij toegevoegde steekwoorden), met telkens de omschrijving en de interventies, zoals in het instrument geformuleerd. Types 1 t/m 4 gaan over ouderen die tijdelijk eenzaam zijn, types 5 t/m 8 gaan over ouderen die chronisch eenzaam zijn.

Ouderen die tijdelijk eenzaam zijn

 

1. Actieven: tijdelijk eenzaam, ze kunnen én ze willen

Actieven zijn graag onder de mensen en hebben behoefte aan een breed netwerk met sociale contacten. Ze hebben voldoende sociale competenties om contacten te leggen en in stand te houden. Door omstandigheden of gebeurtenissen zijn de mogelijkheden om sociaal actief te zijn, afgenomen. Hulp aan actieven is vooral gericht op het voorkomen van vereenzaming. Meestal is het mogelijk om actieven naar activiteiten te begeleiden. Andere interventies zijn ondersteuning bij het aanpassen aan de nieuwe situatie, bijvoorbeeld door gezelschap, praktische hulp, of beter passende huisvesting. Actieven hebben voldoende sociale competenties om aan een groepsaanbod of een groepsactiviteit mee te doen. In veel gevallen kan een vrijwilliger worden ingezet; voor praktische hulp of als bezoekvrijwilliger.

2. Geborgenen: tijdelijk eenzaam, ze kunnen wel, maar willen niet

Geborgenen beschikken over voldoende sociale competenties om sociale contacten te onderhouden, maar ze hebben geen behoefte aan een groot netwerk of een druk sociaal leven. Ze hebben genoeg aan een klein, vertrouwd netwerk waarin ze zich veilig en beschermd voelen. Ze (dreigen te) vereenzamen omdat vanzelfsprekende contacten die geborgenheid boden, zijn weggevallen. Hulp aan geborgenen is vooral gericht op het voorkomen van vereenzaming. Interventies zijn gericht op het weghalen van belemmeringen die het onderhouden van vertrouwde contacten in de weg staan. Dat kan door gezelschap, beter passende huisvesting, maar ook door praktische hulp te bieden. In sommige gevallen kan een vrijwilliger worden ingezet; voor praktische hulp of als bezoekvrijwilliger.

3. Achterblijvers: tijdelijk eenzaam, ze willen wel, maar kunnen niet

Achterblijvers hebben behoefte aan hechte en vertrouwde relaties. Door het wegvallen van zo’n belangrijke relatie zijn ze eenzaam geworden. Ze missen hun partner of huisgenoot en kunnen slecht alleen zijn. Ze hebben te weinig sociale competenties om de situatie actief aan te pakken en zijn niet gewend om zelf initiatieven te nemen. Door hun passieve houding raken ze steeds eenzamer. Hulp aan achterblijvers is vooral gericht op rouwverwerking en emotionele steun. Door over hun verdriet te spreken, kunnen achterblijvers het verlies verwerken en beter met hun situatie omgaan. Soms durven ze ook weer nieuwe contacten aan te gaan en is een voorzichtige uitbreiding van hun netwerk mogelijk. Bij sommige achterblijvers is begeleiding naar activiteiten mogelijk. In andere gevallen kan een vrijwilliger worden ingezet die de oudere gedurende langere tijd bezoekt en soms ook meegaat naar activiteiten. Soms is praktische of huishoudelijke hulp nodig om de zelfstandigheid te bevorderen (vooral administratieve ondersteuning).

4. Afhankelijken: tijdelijk eenzaam, ze willen niet en ze kunnen niet

Afhankelijken hebben geen behoefte aan een sociaal netwerk. Ze zoeken vertrouwdheid in een hechte afhankelijkheidsrelatie, bijvoorbeeld met (één van) hun ouders, een broer of zus, of een partner. De relatie voorziet in hun behoefte aan gezelschap, aanspraak en intimiteit en laat geen ruimte voor andere contacten. Als die relatie wegvalt, zijn afhankelijken niet in staat om nieuwe contacten te leggen en een eigen netwerk op te bouwen. Hun sociale competenties zijn gering en contacten met anderen gaan vaak gepaard met spanningen en conflicten. De samenleving is voor hen een onveilige omgeving die ze vaak letterlijk buitensluiten. Hulp aan afhankelijken is vooral gericht op het doorbreken van een negatieve spiraal en het voorkomen of doorbreken van sociaal isolement. Als het (beperkte) netwerk nog aanwezig is, zijn de interventies vooral gericht op het oplossen van praktische problemen, zoals bemiddeling in het contact met zorgverleners, ondersteuning bij mantelzorgtaken of verhuizing naar passende huisvesting. Als het netwerk is weggevallen, zijn interventies vooral gericht op het vergroten van de zelfstandigheid door praktische hulp, bijvoorbeeld bij administratieve zaken, of het aanvragen van voorzieningen. Door praktische zaken te regelen, kan de hulpverlener vertrouwen winnen en de eenzaamheid bespreekbaar maken. In sommige gevallen is doorverwijzing naar specialistische hulp noodzakelijk, bijvoorbeeld van de GGZ. Soms kan een vrijwilliger worden ingezet die de oudere gedurende langere tijd kan bezoeken en deze kan begeleiden bij normale dagelijkse activiteiten. Het stelt wel eisen aan de vrijwilliger omdat afhankelijken wantrouwig zijn en niet gewend zijn om met anderen om te gaan. De professional houdt in alle gevallen de vinger aan de pols.

 

Ouderen die chronisch eenzaam zijn

 

5. Compenseerders: chronisch eenzaam, ze kunnen én ze willen

Compenseerders zijn graag onder de mensen, maar zijn niet in staat om diepgaande relaties aan te gaan. Ze hebben voldoende sociale competenties om deel te nemen aan het sociale leven, maar de contacten blijven oppervlakkig en onpersoonlijk. Meer intieme contacten ervaren ze als verplichtend en belastend. Ze compenseren het gebrek aan persoonlijke contacten door actief te zijn in werk, vrijwilligerswerk of het verenigingsleven. Deze activiteiten vormen niet alleen een zinvolle tijdsbesteding, maar ook de sociale context waarin hun behoefte aan aanspraak en gezelligheid wordt ingevuld. Daarnaast bieden ze een positie en een sociale rol waaraan ze een zekere status kunnen ontlenen. Compenseerders kennen de weg in de samenleving en weten als het nodig is de juiste hulp te organiseren. Hulp aan compenseerders is gericht op het oplossen van praktische problemen zodat ze hun zelfstandigheid kunnen behouden, of het zoeken van activiteiten waarin ze hun sociale competenties kunnen benutten. Compenseerders hebben geen behoefte aan eenzaamheidsinterventies en bepalen zelf wat ze met de hulpverlener willen bespreken. De professional kan door ‘regelzaken’ vertrouwen winnen en proberen contact te houden nadat het praktische probleem is opgelost. Als het lukt om een vertrouwensband tot stand te brengen, zal de oudere gemakkelijker contact zoeken als zich nieuwe problemen voordoen. De inzet van vrijwilligers is bij deze categorie ouderen onmogelijk.

6. Buitenstaanders: chronisch eenzaam, ze kunnen wel, maar willen niet

Buitenstaanders hebben geen behoefte aan persoonlijke relaties en leven zo veel mogelijk hun eigen leven. Ze hebben het gevoel dat ze ‘anders’ zijn dan anderen en voelen zich niet zo thuis in de samenleving. Het zijn typische Einzelgängers die op geen enkele manier deelnemen aan het sociale of maatschappelijke leven. Ze beperken zich tot noodzakelijke (formele) contacten en creëren een eigen wereld die hen zekerheid en veiligheid biedt. Hulp aan buitenstaanders is vooral gericht op het creëren van een vangnet zodat ze hun zelfstandigheid kunnen behouden. Buitenstaanders zijn vaak zorgmijdend. Ze roepen zelf geen hulp in en komen pas in beeld bij de hulpverlening als de problemen zich opstapelen en door anderen worden opgemerkt. Als er geen ingang voor ingrijpen is, is monitoren het enige dat mogelijk is. Dat kan betekenen dat de hulpverlener regelmatig belt of langsgaat om te horen hoe het gaat en zo nodig snel actie kan ondernemen. Wanneer een monitorcontact niet mogelijk is, kan een signaleringsnetwerk worden opgestart, waarbij de oudere op afstand in de gaten wordt gehouden. Met een aantal partijen wordt afgesproken bij welke signalen moet worden ingegrepen en wie dat dan doet. De inzet van vrijwilligers is bij buitenstaanders onmogelijk.

7. Hoopvollen: chronisch eenzaam, ze willen wel, maar kunnen niet

Hoopvollen hebben een sterke behoefte aan contacten maar missen de sociale competenties die nodig zijn om sociale relaties op te bouwen of te onderhouden. Vaak is er sprake van psychiatrische problematiek of traumatische gebeurtenissen die het vertrouwen in anderen hebben verminderd. Ook vanzelfsprekende relaties met familie en kinderen zijn misgelopen en afgebroken. Hoopvollen kunnen zich maar moeilijk verzoenen met hun geïsoleerde bestaan en wachten lijdzaam af in de hoop dat er iets zal gebeuren. Door hun afwachtende gedrag wordt hun isolement juist versterkt. De problemen van hoopvollen zijn dermate complex dat verschillende soorten hulp en ondersteuning noodzakelijk zijn. Belangrijke interventies zijn het bieden van emotionele en psychosociale steun, het oplossen van uiteenlopende praktische problemen en begeleiding bij het dagelijkse functioneren. In veel gevallen wordt gezocht naar passende vormen van dagbesteding die structuur en een invulling aan het leven geven. Soms is intensieve of specialistische hulp nodig, zoals psychiatrische hulp, of verslavingshulp. De psychiatrische problemen of de verslavingsproblematiek zijn dan zo dominant dat het de oplossing van andere problemen in de weg staat. De professional besluit – samen met de oudere – welke problemen worden aangepakt en in welke volgorde. In sommige gevallen is het mogelijk om naast de professional ook een vrijwilliger in te zetten die een aantal ondersteunende taken van de professional kan overnemen. Dit vergt wel een bepaald soort vrijwilliger: iemand die in staat is om ‘mee te bewegen’ met de oudere en niet te hoge verwachtingen heeft over de resultaten.

8. Overlevers: chronisch eenzaam, ze willen niet en ze kunnen niet

Overlevers hebben geen behoefte aan sociale contacten. Ze voelen zich onbehaaglijk in het gezelschap van anderen, hebben weinig zelfvertrouwen en een laag zelfbeeld. Ze missen de sociale competenties om contacten op te bouwen of te onderhouden en zijn vaak teleurgesteld of afgewezen. Daarom gaan ze anderen zoveel mogelijk uit de weg. Sommigen hebben in het verleden een relatie gehad en kinderen gekregen, maar de contacten zijn vaak verbroken. Overlevers komen de dagen met moeite door en hebben veel last van lichamelijke en psychische klachten. Ze zijn letterlijk bezig met overleven. De problemen van overlevers zijn zeer complex. Ze hebben het gevoel dat hun situatie volkomen uitzichtloos is en hebben geen vertrouwen (meer) in professionele hulp of begeleiding. Ze zijn bang voor nieuwe teleurstellingen. In de meeste gevallen is er veel tijd nodig toegang te krijgen en contact te leggen (bellen, brieven, brievenbuscontact). Als het contact eenmaal is gelegd, blijft het lastig om de problemen bespreekbaar te maken. De hulpverlener gaat — samen met de oudere —op zoek naar een manier van leven die voor de oudere aanvaardbaar is. Dat is een proces van zoeken en uitproberen. Soms kunnen praktische problemen worden aangepakt, zoals schulden, of het huis op orde brengen. Vaak is doorverwijzing nodig naar meer intensieve of specialistische hulp, zoals psychiatrische hulp, verslavingshulp of een cleanteam. Belangrijk is een professioneel vangnet te creëren, zodat signalen van achteruitgang tijdig worden opgemerkt en verder afglijden wordt voorkomen. Het begeleiden van overlevers is zwaar en vaak emotioneel belastend voor de professional, zeker wanneer cliënten zich afhankelijk gaan opstellen.

 

Tot slot en niet vergeten

Een verdere toelichting en voorbeelden vindt u in de publicatie. Daarnaast is het instrument een ‘hulpmiddel’ en niet ‘de waarheid’. U kunt het dus gebruiken in uw eigen praktijk, maar vergeet vooral niet dat u altijd naar ‘de hele mens’ moet kijken. Elk mens is uniek, en geen enkel mens past in een hokje. Dus ook niet in één van de acht profielen. Toch zou ik het instrument wel in uw voordeel gebruiken.

Publicatiedatum

26 februari 2020

Laatst bijgewerkt

27 februari 2020

Bron

Coalitie Erbij Rotterdam

Onderwerpen

ouderen, instrument, hulpmiddel, hulpverlening